In de zorg wordt gelukkig steeds vaker gewerkt met verklarende analyses. Dat vind ik een goede ontwikkeling. Zeker in complexe casuïstiek, waarin een kind soms al jarenlang van onderzoek naar behandeling, van school naar school of van begeleider naar begeleider gaat en het dossier ondertussen steeds dikker wordt. Dan helpt het om opnieuw te kijken naar de samenhang. Wat heeft dit kind meegemaakt, hoe heeft het zich ontwikkeld, welke belasting is er geweest en wat weten we over bijvoorbeeld autisme, trauma, stress, sensorische gevoeligheid, verlies, schoolervaringen, gezin en eerdere hulpverlening? Gedrag ontstaat tenslotte niet op de dag waarop iemand besluit er een analyse van te maken.
Zo’n verklarende analyse kan behoorlijk wat rechtzetten. Vooral wanneer een dossier in de loop der jaren gevuld is geraakt met informatie op informatie. Als iets vaak genoeg wordt opgeschreven, krijgt het vanzelf de status van waarheid. De volgende professional leest het, kijkt vervolgens met die informatie in het achterhoofd en ziet meestal voldoende om het eerdere beeld bevestigd te krijgen. Zo werken mensen nu eenmaal. We denken graag dat we objectief waarnemen, maar onze waarneming komt zelden blanco binnen.
Een verklarende analyse kan daar ruimte in maken. Misschien probeert een kind dat voortdurend de controle wil houden vooral de wereld voorspelbaar te krijgen. Misschien is het kind dat bij veranderingen ontploft al veel langer overbelast dan zichtbaar was. Misschien heeft degene die volgens het dossier niet gemotiveerd is inmiddels geleerd dat iedere nieuwe poging vooral een nieuwe kans op mislukken betekent. Dat weten we niet zonder onderzoek, maar het zijn wel hypotheses die ervoor zorgen dat er weer iets te onderzoeken valt in plaats van dat het oordeel al klaarstaat.
Maar voor gedragsanalisten is er meer. Want na de verklarende analyse wordt het gewoon weer maandagochtend. De taxi staat over tien minuten voor de deur, het kind heeft slecht geslapen en iemand zegt: ‘Kom, jas aan, we moeten gaan.’ Het kind reageert niet meteen, dus de vraag wordt herhaald. Iets nadrukkelijker deze keer. Het kind zegt dat het niet gaat en de ouder of begeleider verwijst naar de afspraak van gisteren. Er komt nog wat uitleg bij, de tijd begint te dringen, het kind scheldt en uiteindelijk rijdt de taxi zonder hem weg. Later verschijnt in de rapportage dat hij opnieuw heeft geweigerd om mee te werken.
In zo’n situatie willen wij weten wat er is gebeurd. Niet alleen waarom dit kind moeite heeft met veranderingen of waarom stress bij hem of haar zo snel oploopt. Wij willen weten wat er gebeurde tussen de eerste vraag over die jas en het moment waarop hij begon te schelden. Hoeveel tijd zat er tussen de vraag en de herhaling? Wat deed de tijdsdruk? Hoe werd de afspraak erbij gehaald? Kon hij op dat moment nog taal verwerken? Had hij invloed op de volgorde? Was er een mogelijkheid om even terug te bewegen of was vertrek inmiddels het enige onderwerp in de kamer geworden? En ook: wat veranderde er nadat hij begon te schelden? Stopte de uitleg, kwam er afstand, kreeg hij tijd, verdween de taxi uiteindelijk?
De verklarende analyse geeft zicht op het grotere geheel, terwijl wij met een gedragsanalyse dichtop de dagelijkse werkelijkheid willen zitten. Wat gebeurt er voor het gedrag, wat gebeurt er tijdens de interactie en wat verandert er daarna? Welke patronen keren terug en wat doen wij zelf waardoor zo’n patroon misschien onbedoeld wordt versterkt of juist afneemt?
Wij beoordelen taal over het algemeen nogal graag vanuit onze bedoeling. ‘Je weet wat we hebben afgesproken’ kan heel goed bedoeld zijn. Dat zegt nog weinig over wat die zin bij de ander doet. Vaak is het niet eens een afspraak maar een eenzijdig besluit van degene met de macht. Bij iemand die al hoog in spanning zit, kan dezelfde zin druk, schaamte of verlies van autonomie oproepen. Zeker wanneer er weinig ruimte meer is om aan de “afspraak” te voldoen. Dan hoort iemand misschien helemaal geen vriendelijke herinnering meer, maar vooral: je doet het alweer verkeerd.
Dat is waarom we in onze Taal als Tool niet werken met lijstjes van woorden die je voortaan wel of niet zou mogen gebruiken. Daar geloven wij niet zo in. Taal krijgt betekenis in context. Interessanter is daarom om te onderzoeken wat een vraag, samenvatting of formulering in die context doet. Welke aanname zit erin? Hoeveel voegen we van onszelf toe? Welke betekenis komt van degene over wie we praten en welke betekenis hebben wij er inmiddels van gemaakt? Wat gebeurt er met autonomie? En wat gebeurt er wanneer iemand onder stress steeds meer uitleg krijgt omdat wij denken dat hij ons blijkbaar nog niet heeft begrepen?
Dat laatste zien we echt vaak. Iemand reageert niet zoals verwacht, dus wordt het nog een keer uitgelegd. Daarna iets duidelijker. Vervolgens halen we de afspraak erbij en als dat niet helpt ook nog de consequentie. Tegen de tijd dat we vinden dat iemand echt niet luistert, hebben we soms zelf een behoorlijke hoeveelheid taal, druk en betekenis aan de situatie toegevoegd.
Vervolgens komt het in de rapportage en wordt taal echt machtig, want een rapportage verdwijnt niet wanneer het gesprek voorbij is. Als er staat dat een kind ‘weigert’, lijkt dat een beschrijving van gedrag, terwijl er al een verklaring in verstopt zit. We weten immers nog niet of iemand niet wilde, niet kon starten, overspoeld raakte, onvoldoende verwerkingstijd kreeg, geen haalbare uitweg meer zag of dat de ander, de ouder of de professional een rotdag had. Met andere woorden: welk deel van het gedrag waar wij last van hebben ontstaat mede in reactie op wat wij zelf doen?
Als we geloven dat gedrag samenhangt met stress, eerdere ervaringen, informatieverwerking en behoefte aan voorspelbaarheid, dan moet dat uiteindelijk zichtbaar worden in hoe wij met iemand omgaan. In hoeveel tijd iemand krijgt om te reageren, in hoe we een overgang voorbereiden, in de hoeveelheid taal die we gebruiken, in de ruimte voor autonomie en vooral in de vragen die we onszelf stellen wanneer het opnieuw misgaat. Want wanneer het probleem volledig in het kind zit, zijn we afhankelijk van de vraag of dat kind verandert. Zodra we ontdekken dat een patroon ook beïnvloed wordt door onze timing, taal, verwachtingen, omgeving en reacties, hebben we zelf ineens veel meer mogelijkheden om iets te veranderen.
Daarom zien ik de verklarende analyse en gedragsanalyse graag naast elkaar. De verklarende analyse helpt begrijpen welke geschiedenis en omstandigheden iemand meebrengt. De gedragsanalyse maakt zichtbaar wat er vandaag tussen mens en omgeving gebeurt en waar een patroon wordt gevoed, onderbroken of verzacht.
Taal als Tool voegt daar de vraag aan toe welke rol onze woorden, vragen, interpretaties en rapportages daarin spelen. Want een kind heeft weinig aan een uitstekend verklarend model wanneer wij daarna op precies dezelfde manier blijven praten, kijken en handelen.


