Trauma vraagt nog steeds om een bredere definitie. Niet omdat alles tegenwoordig trauma moet heten, maar omdat we jarenlang te beperkt hebben gekeken. Het idee rond trauma was vooral dat alleen ingrijpende ervaringen zoals oorlog, seksueel misbruik, geweld, ernstige verwaarlozing of het plotseling verliezen van een ouder trauma konden veroorzaken. Trauma ontstaat vaak veel subtieler en dichter bij huis dan we graag willen zien.
Trauma zit niet alleen in wat er gebeurde. Trauma zit vooral in wat iemand op dat moment niet kon verwerken, of niet kon begrijpen of kon stoppen en niet samen met een veilige ander kon dragen. Juist dat laatste wordt vaak over het hoofd gezien. Een kind heeft geen volwassen zenuwstelsel, taal, overzicht en heeft niet het volwassen vermogen om zichzelf gerust te stellen. Een kind is afhankelijk van de ander om spanning te helpen reguleren. Wanneer die ander afwezig, onvoorspelbaar, bang, boos, overbelast of emotioneel niet beschikbaar is, kan iets wat van buiten klein lijkt van binnen heel groot worden.
De tijd heelt ook niet vanzelf alle wonden. Soms leert iemand vooral heel goed functioneren om de wond heen. Er wordt gewerkt, gezorgd, gelachen, gepresteerd en aangepast, terwijl het lichaam nog steeds reageert alsof gevaar elk moment kan terugkeren. Dan noemen we iemand gevoelig, moeilijk, snel geraakt, controlerend, druk, vermijdend, perfectionistisch of emotioneel. Vaak zien we alleen maar de buitenkant waar we dan op onze beurt weer op reageren.
Trauma is subjectief en persoonlijk. Niemand kan van buitenaf bepalen of iets voor een ander traumatisch was. Het gaat niet om wat er feitelijk gebeurde, maar veel meer om hoe oud iemand was, hoe alleen iemand zich voelde, hoeveel machteloosheid er was, of er herstel kwam, of iemand werd geloofd, en of er daarna voldoende veiligheid beschikbaar was. Een nare ervaring met steun, troost en herstel kan draaglijk worden. Een ogenschijnlijk kleine ervaring zonder steun kan zich diep vastzetten.
Bij trauma denken we vaak aan één grote gebeurtenis. In de praktijk gaat het vaak om herhaling. Steeds gecorrigeerd worden. Steeds voelen dat je te veel bent. Steeds merken dat jouw emoties lastig zijn voor de ander. Steeds moeten presteren voor aandacht. Steeds horen dat je je aanstelt. Steeds op eieren lopen. Steeds de sfeer in huis scannen. Steeds aanpassen voordat iemand boos wordt. Dat soort ervaringen worden zelden opgenomen in een dossier als trauma, terwijl ze het kind wel leren: ik ben pas veilig als ik mezelf kleiner, slimmer, stiller, liever, sterker of onzichtbaarder maak.
Dat is wat wij microtrauma noemen. De herhaalde kleine breuken in veiligheid, afstemming en erkenning. Een enkele onhandige opmerking van een ouder beschadigt een kind meestal niet blijvend. Een patroon waarin een kind structureel niet wordt gezien, niet wordt geholpen reguleren of emotioneel alleen blijft, kan wel diepe sporen nalaten.
Ook vroege medische ervaringen verdienen meer aandacht. Baby’s en jonge kinderen onthouden zulke ervaringen meestal niet als verhaal, maar hun lichaam kan wel leren dat aanraking, licht, geluid, pijn, fixatie, scheiding of medische handelingen met dreiging samenhangen. Vroeggeboorte, couveusezorg, operaties, langdurige pijn, ziekenhuisopnames en ingrijpende behandelingen kunnen invloed hebben op de stressregulatie, hechting en latere prikkelverwerking. Natuurlijk zijn ingrijpende medische handelingen soms nodig, maar het tijdens en achteraf kijken naar wat het kind heeft moeten verdragen en welke ondersteuning daarna nodig was, moet ook onderdeel zijn van een behandeling.
Hetzelfde geldt voor huilen. Huilen is bij een baby geen manipulatie, geen verwend gedrag en geen karaktertrek. Huilen is communicatie. Het is een biologisch signaal: help mij, ik krijg dit nog niet alleen geregeld. Natuurlijk hoeft een ouder niet perfect beschikbaar te zijn. Dat kan niemand. Maar wanneer een baby of jong kind langdurig alleen blijft met ontregeling, leert het lichaam iets over de wereld. Het leert of spanning samen gedragen wordt, of dat spanning iets is waarin je alleen verdwijnt.
Trauma werkt via het autonome zenuwstelsel. Wanneer een mens gevaar ervaart, bereidt het lichaam zich voor op vechten of vluchten. Wanneer dat niet kan, volgen immobilisatie, bevriezing, onderwerping, pleasen, dissociatie of emotionele afsluiting. Bij jonge kinderen is vechten of vluchten vaak helemaal geen echte optie. Zij kunnen de situatie meestal niet verlaten, niet verklaren en niet veranderen. Hun lichaam doet wat het kan om te overleven.
Bij acute stress komen onder andere adrenaline en cortisol vrij. Dat is op zichzelf gezond en nodig. Stress is niet per definitie schadelijk. Een korte stressreactie met herstel helpt een lichaam juist om zich aan te passen. Het probleem ontstaat wanneer stress chronisch wordt, wanneer er onvoldoende herstelmomenten zijn en wanneer een kind te weinig veilige volwassenen heeft die helpen om de spanning weer naar beneden te brengen. Dan spreken we eerder over toxische stress: de langdurige activering van stresssystemen die invloed kunnen hebben op de hersenontwikkeling, het immuunsysteem, de hormoonhuishouding, slaap, spijsvertering, pijngevoeligheid en emotionele regulatie.
Daarom is trauma nooit alleen psychisch. Het zit niet “tussen de oren” alsof iemand anders moet leren denken. Het zit in ademhaling, spierspanning, darmklachten, slaapproblemen, alertheid, vermoeidheid, schrikreacties, ontstekingsgevoeligheid, pijn, eetgedrag, verslaving, relaties en zelfbeeld. Het lichaam houdt de score niet bij als boekhouding, maar als patroon. Het lichaam voorspelt op basis van eerdere ervaringen wat er kan gebeuren, vaak sneller dan het bewuste denken kan bijsturen.
Onderzoek naar Adverse Childhood Experiences, (ACE’s) laat al jaren zien dat ingrijpende jeugdervaringen samenhangen met een verhoogd risico op latere mentale en lichamelijke gezondheidsproblemen. Denk aan depressie, angst, middelengebruik, suïcidaliteit, chronische pijn, hart- en vaatziekten, diabetes, obesitas, slaapklachten en problemen in relaties en werk. Het betekent dat vroege onveiligheid een mens kwetsbaarder kan maken, zeker wanneer er later opnieuw stress, uitsluiting, armoede, geweld of verlies bijkomt.
Trauma mag geen nieuw etiket worden waarmee we mensen vastzetten. Niet ieder lastig gedrag is trauma. Niet iedere ouderlijke fout is beschadiging. Niet elk verdriet hoeft behandeld te worden. Mensen zijn veerkrachtig. Eén veilige volwassene kan verschil maken. Een school die begrijpt wat gedrag vertelt, kan verschil maken. Een hulpverlener die minder corrigeert en beter kijkt kan verschil maken. Een ouder die later verantwoordelijkheid neemt, kan verschil maken.
Voor ouders ligt hier een gevoelig punt. Wij hebben allemaal, bewust of onbewust, invloed op het zenuwstelsel van onze kinderen. Dat betekent niet dat ouders schuldig zijn aan alles wat hun kind later meemaakt. We doen immers allemaal maar wat toch. Ouders hebben in ieder geval een aandeel. Ouders geven door wat zij zelf hebben geleerd, verdragen, gemist of moeten overleven. Wie als kind weinig veiligheid heeft ervaren, moet als ouder vaak extra hard werken om nabijheid te bieden wanneer het eigen systeem onder druk staat. Ouderschap raakt precies die plekken waar iemand zelf nog geen rust heeft gevonden.
Traumasensitief werken betekent dat we gedrag begrijpen in context, zonder verantwoordelijkheid kwijt te raken. Grenzen, veiligheid en duidelijkheid blijven nodig. Alleen werkt het anders wanneer je begrijpt dat iemand onder stress minder toegang heeft tot reflectie, taal, planning en moreel redeneren. Een overspoeld brein leert weinig van straf, schaamte of uitleg. Eerst regulatie. Dan relatie. Dan pas reflectie.
Als we zo durven kijken, verandert er hopelijk iets. Dan zien we geen “moeilijke” kinderen, maar kinderen met een overbelast alarmsysteem. Kinderen die geen hardere correctie nodig hebben, maar volwassenen die nabij blijven, begrijpen wat er onder het gedrag ligt en durven uitreiken waar eerder werd gecorrigeerd, gestraft of ingegrepen.
Lees ook ons boek Onuitwisbaar, acceptatie van Microtrauma in ons leven en/of De derde hypothese.


