Suïcide als Zelfbeschikking: De Kracht en de Pijn van Autonomie | Door Leander Westerbeek van Eerten

Je zou het plegen van zelfdoding kunnen uitleggen als een ultieme daad van autonomie, omdat het de meest extreme vorm is waarin iemand volledige controle over zijn eigen leven en lot uitoefent. De beslissing om een einde aan het eigen leven te maken, kan worden beschouwd als een definitieve manier om te zeggen dat men zelf bepaalt over het eigen bestaan. Maar de vraag rijst echter of er niet veel verloren is gegaan rondom de autonomie van een persoon voordat deze dit stadium bereikt. Misschien is ‘de ultieme daad van autonomie’ eerder een teken dat de autonomie in eerdere fases van het leven niet goed tot uiting kwam.

Ik refereer hier aan autonomie als het vermogen van een individu om zelfstandig keuzes te maken, zijn of haar eigen leven te sturen en beslissingen te nemen die overeenkomen met persoonlijke waarden, verlangens, doelen en belangen. Dit idee van zelfbeschikking omvat de vrijheid om te handelen, zelfs binnen de context van externe beperkingen. Want in het dagelijks leven wordt het vermogen om autonome keuzes te maken vaak beperkt door verschillende externe factoren zoals sociale normen, wetten en economische beperkingen: er is geen sprake van totale autonomie, en toch wordt iemand die binnen deze beperkingen zijn eigen beslissingen neemt, als een autonoom persoon beschouwd. Het gaat uiteindelijk om controle over je eigen leven en het kunnen uiten van je eigen wil.

In deze opvatting van autonomie gaat het dus om een vermogen dat je voortdurend in de praktijk brengt. Het praktiseren van autonomie is belangrijk omdat er een directe samenhang bestaat tussen individuele autonomie, geluk en de zin van het leven. De Israëlische filosoof Joseph Raz (1939-2022) stelt:

“Alleen een leven dat we zelf willen leven, dat we zelf bepalen, dat we ons eigen leven hebben gemaakt, kan ook een vervuld leven zijn.” (Raz, n.d.)

We ervaren een vervuld leven wanneer het zowel zinvol als gelukkig is, iets wat bij suïcidale mensen vaak ver te zoeken is. Een autonoom leven biedt geen garanties voor een gelukkig en/of zinvol leven, maar is daar wel de noodzakelijke voorwaarde voor! Autonomie is dus randvoorwaardelijk voor een vervuld leven, en het is aannemelijk dat veel mensen met suïcidale gedachten hier een gebrek aan ervaren. Met alle beste bedoelingen in acht genomen, dwingt dit ons toch om de hulpverlening voor kwetsbare mensen op het vlak van autonomie eens goed onder de loep te nemen. Allereerst: hoe is autonomie gepositioneerd?

Het verdringingseffect van zelfredzaamheid

Een van de eerste problemen is dat we in de zorgwereld vaker spreken over ‘zelfredzaamheid’ dan over ‘autonomie’. Zelfredzaamheid is een maatschappelijk concept dat aan gewicht heeft gewonnen omdat het fungeert als een criterium om te bepalen of en hoe lang de samenleving de kosten draagt voor de ondersteuning van kwetsbare individuen. Dit is een belangrijke en legitieme vraag, maar het doet weinig voor de daadwerkelijke inhoud van de ondersteuning. Sterker nog, het verdringingseffect van zelfredzaamheid ten koste van autonomie ondermijnt de kwaliteit van zorg en persoonlijke ontwikkeling. Zo legt zelfredzaamheid de focus op het praktische vermogen om zelfstandig te functioneren in verschillende aspecten van het dagelijks leven. Terwijl autonomie veel breder is en dieper gaat dan het praktische. Autonomie veronderstelt ook dat je zelfkennis hebt, in verbinding staat met jezelf en vanuit die basis authentieke keuzes kunt maken en richting kunt geven aan je leven, wat een diepere en duurzamere vorm van welzijn en vervulling mogelijk maakt. Zelfredzaamheid lijkt te impliceren dat je ‘er al bent’ zodra je ‘je hoofd boven water kunt houden’. Dit is een misleidende simplificatie van wat het werkelijk betekent om een vervullend leven te leiden. Door het accent te leggen op zelfredzaamheid in plaats van autonomie, ondermijnen we de ondersteuning die nodig is voor mensen om echte zingeving en geluk te vinden.

Fundamentele epistemische onzekerheid

Een tweede probleem is dat er vaak te weinig aandacht is voor de ontwikkeling van zelfachting en fundamentele zelfkennis. Zelfs wanneer er binnen de ondersteuning aandacht is voor autonomie, komt dit vaak tot uiting in vragen zoals: “Wat wil jij?”, “Wat vind je leuk?” of “Wat vind jij belangrijk?”. Dergelijke vragen doen een beroep op zelfkennis, die cruciaal is voor autonomie. Elke theorie over autonomie vooronderstelt dat autonome personen op zijn minste ongeveer, grofweg, weten wat ze willen, waarom ze iets doen, wie ze eigenlijk zijn (Rössler, 2018, p. 124). Maar we mogen deze zelfkennis bij suïcidale mensen niet meer als vanzelfsprekend nemen. Zelfkennis omvat namelijk meer dan alleen een blik naar binnen werpen en een persoonlijke evaluatie vaststellen door middel van introspectie. Zelfkennis vereist ook zelfachting. Dat betekent dat je jezelf ook geloofwaardig vindt. Dat jij jezelf ziet als iemand die in staat is tot het maken van authentieke afwegingen en keuzes. Want als je jezelf niet in staat acht om betrouwbare oordelen te vormen, wat is jouw oordeel dan nog waard? Depressieve en/of suïcidale mensen hebben vaak negatieve gedachtencycli die gedurende langere tijd het zelfbeeld ondermijnen. Wanneer dit lang genoeg doorgaat, valt het doek voor de eigen geloofwaardigheid, en daarmee ook het vermogen om eigen autonomie uit te oefenen. Want zonder zelfachting is er geen mogelijkheid tot zelfkennis, en zonder zelfkennis is er geen mogelijkheid tot autonomie (Rössler, 2018, p. 124). Hoe behoud je nu enig perspectief op een vervuld leven zonder autonomie? Het is daarom essentieel dat ondersteuning rondom autonomie niet alleen een beroep doet op de introspectie, maar ook focust op het herstellen en versterken van zelfachting. Alleen mensen die zichzelf (nog) geloofwaardig vinden, kunnen effectief autonomie uitoefenen. Hierdoor kunnen ze het perspectief op een vervuld leven behouden, als tegenwicht tegen de uitzichtloosheid.

“We weten echter ook dat het leven van iemand met gedachten aan zelfdoding gekenmerkt wordt door stress en overprikkeling, door uitzichtloosheid, uitsluiting en door eenzaamheid.” (Schippers & Kuipers, 2024, p. 6)

Invloed van Sociale en Institutionele Dynamiek

Tot slot wil ik nog even de aandacht richten op de sociale component van autonomie. Autonoom zijn we namelijk altijd samen met anderen, want pas in de dialoog met anderen krijgt iemand een beeld van hoe hij of zij zelf wil leven (Rössler, 2018, p. 46). Sociale relaties helpen ons om verantwoordelijke, empathische en zelfbewuste individuen te worden. Ze leren ons de impact van onze keuzes op anderen te begrijpen. Dit maakt onze keuzes genuanceerder en beter doordacht, wat een dieper begrip van autonomie bevordert. Interactie met anderen helpt ons beter te begrijpen wie we zijn en wat we belangrijk vinden. Daarnaast bieden sociale relaties een steunnetwerk dat ons helpt bij het overwinnen van uitdagingen. Dit versterkt ons zelfvertrouwen en daarmee onze zelfachting.

Sociale relaties zijn dus constitutief voor autonomie. Tegelijkertijd vereist autonomie dat we ons eventueel ook tegen bepaalde anderen kunnen keren, tegen hun normen en doelstellingen. Dat je de vrijheid en het recht hebt om je tegen je eigen omgeving te keren en zo tot andere sociale contexten te besluiten wanneer je denkt dat je leven alleen kan slagen wanneer je zo’n besluit neemt (Rössler, 2018, p. 46).

De vraag is echter in hoeverre deze ruimte bestaat binnen de structuren van zorg en onderwijs. Impliceert ons gehele diagnostische systeem niet juist een normatieve standaard voor wat als ‘normaal’ of ‘abnormaal’ wordt beschouwd in termen van psychische gezondheid? Deze normatieve standaarden, vastgesteld door medische en psychiatrische autoriteiten, oefenen aanzienlijke invloed uit op individuen. Dergelijke structuren stimuleren individuen om zich aan te passen aan deze opgelegde normen van normaliteit. Hierdoor kunnen hun unieke ervaringen en gedragingen als ‘fout’ of ‘ongewenst’ worden gezien. Dit beperkt de autonomie van individuen, omdat zij zich gedwongen kunnen voelen om hun gedrag en zelfbeeld aan te passen aan de opgelegde normen in plaats van hun eigen unieke identiteit en ervaringen te omarmen.

Een vergelijkbare dynamiek is te zien in het onderwijssysteem, dat vaak gericht is op gestandaardiseerde toetsen en uniforme leerdoelen. Dit kan de mogelijkheden van leerlingen om hun unieke leervaardigheden, kwaliteiten en interesses te verkennen, beperken en daarmee hun autonomie inperken.

“Suïcide is een heel groot maatschappelijk probleem. Kinderen met een diagnose, kinderen met trauma hebben het zwaar. Op school, in de residentiële jeugdzorg, in de maatschappij. Kinderen die anders zijn dan de heersende norm krijgen nauwelijks de ruimte om te zijn wie ze zijn. Ze worden uitgesloten. Ze worden gepest. Er moet aan hen gesleuteld worden. Er wordt van hen emotieregulatie en gedragsaanpassing verwacht en dat ze hun best doen op school. We nemen hierdoor vaak hun autonomie en hun authenticiteit af.” (Schippers & Kuipers, 2024, p. 7)

De combinatie van sociale en institutionele dynamiek heeft een diepgaande invloed op de autonomie van individuen. Hoewel sociale relaties essentieel zijn voor het ontwikkelen van zelfbewustzijn en verantwoordelijkheid, kan de druk om aan normatieve standaarden te voldoen deze autonomie juist beperken. Dit leidt tot een paradox waarin de systemen die ondersteuning zouden moeten bieden, juist kunnen bijdragen aan het verlies van autonomie. Door deze paradox te erkennen en bewust te streven naar preventieve maatregelen, kunnen we stappen zetten in het creëren van systemen die de autonomie van individuen effectief ondersteunen en daardoor bijdragen aan de preventie van de ‘ultieme daad van autonomie’.

Samenvattend

De invloed van autonomie reikt diep in ons leven en is bepalend voor hoe we ons verhouden tot onszelf en onze omgeving. Het praktiseren van autonomie is belangrijk omdat er een directe samenhang bestaat tussen individuele autonomie, geluk en de zin van het leven. Wanneer je preventief zorg draagt voor het praktiseren van je vermogen tot autonomie, creëer je randvoorwaarden op het perspectief tot een vervuld leven. Een gezond vermogen tot autonomie biedt niet alleen een pad naar zelfbeschikking en persoonlijke vervulling, maar ook een cruciale buffer tegen gevoelens van uitzichtloosheid en sociale uitsluiting. Deze versterking van autonomie is essentieel, vooral voor mensen die worstelen met suïcidale gedachten. Door te investeren in preventieve maatregelen die de autonomie bevorderen, kunnen we niet alleen individuen helpen om hun eigen waarde en keuzes te erkennen, maar ook om betekenisvolle verbindingen te maken met anderen en hun omgeving. In deze benadering is het belangrijk om te blijven kijken naar onszelf, onze gebruiken, onze terminologie en onze systemen, omdat onbedoelde tegenstrijdigheden voor kwetsbare mensen kunnen leiden tot verwarring, frustratie en zelfs verdere isolatie. Deze benadering vraagt om voortdurende reflectie op hoe we autonomie ondersteunen, vooral in contexten die belangrijk zijn voor het welzijn van kwetsbare individuen.

Juli 2024
Leander Westerbeek van Eerten

Raz, J. (1986). The Morality of Freedom. Clarendon Press.
Rössler, B. (2018). Autonomie: Een essay over het vervulde leven. Boom.
Schippers, S. & Kuipers, M. (2024). (on)OMKEERBAAR: In verbinding blijven bij suïcidale gedachten. Eigen beheer. Download hier (on)Omkeerbaar

Meer lezen? Bekijk ook eens:

Autonomie AutismeAcademie

08/10/2026

Then who am I?

05/10/2026

Vermijding of behoefte aan autonomie