De gebeurtenis in Capelle rond de 2 jongeren die een einde aan hun leven maakten maakt de meesten van ons stil. Wat daarna zichtbaar werd, raakte opnieuw aan iets pijnlijks. Jongeren filmden en de beelden werden gedeeld. Volwassenen reageerden geschokt, boos, afkeurend. Begrijpelijk. En tegelijk is alleen verontwaardiging te mager als we werkelijk willen begrijpen wat hier gebeurt.
Want de vraag is niet alleen: hoe haal je het in je hoofd om dit enorme leed te filmen? De vraag is ook: wat gebeurt er in een mens en in een groep, wanneer iets onvoorstelbaars zich recht voor je ogen afspeelt?
Vanuit trauma bekeken is menselijk gedrag onder acute stress lang niet altijd rationeel, moreel doordacht of empathisch zichtbaar. Onder hoge spanning schakelt een deel van ons systeem terug naar overleven. Het lichaam scant, bevriest, vernauwt, registreert, volgt de groep, zoekt houvast. Het denken wordt smaller. Gevoel kan afvlakken of juist ontregelen. Wat van buitenaf kil of sensatiegericht lijkt, kan van binnen een ontregelde poging zijn om grip te krijgen op iets dat te groot is om te bevatten.
Dat maakt het filmen niet goed. Het verspreiden van beelden van de overleden jongeren is verwerpelijk, schadelijk, grensoverschrijdend en voor nabestaanden moet dat vreselijk zijn. Een logische gedachte is dat deze jongeren geen empathie hebben. Zo simpel is het echter niet. Empathie kan onder stress worden overstemd door schok, dissociatie, kuddegedrag en digitale reflexen die inmiddels bijna automatisch zijn geworden.
Voor veel jongeren is de telefoon geen apparaat meer dat ze erbij pakken. Het is een verlengstuk van hun lichaam geworden. Iets gebeurt, en de impuls om vast te leggen zit al in de hand voordat het besef volledig in het bewustzijn is aangekomen. Registreren is voor sommigen een manier om afstand te creëren. Alsof de camera een laag tussen henzelf en de werkelijkheid schuift. Alsof het scherm iets draaglijker maakt wat in het echt ondraaglijk is.
Daar komt groepsgedrag bij. In groepen verschuift verantwoordelijkheid razendsnel. Mensen kijken naar elkaar om te bepalen wat passend gedrag is. Zeker jongeren, bij wie identiteit, erbij horen en sociale positie nog volop in ontwikkeling zijn. Wanneer één iemand begint te filmen, verlaagt dat voor anderen de drempel om mee te doen. Het groepsscript neemt het dan gemakkelijk over van het innerlijk kompas. Wie in zo’n moment niet stevig geworteld is in zichzelf, leunt op de norm van de groep. En als die norm ontspoort, ontspoort gedrag mee.
Sociale media versterken dat proces op een meedogenloze manier. Alles wat zichtbaar is, krijgt potentiële waarde. Aandacht is munt geworden. Schokkende beelden circuleren nu eenmaal sneller dan verstandige woorden. Social media vraagt geen vertraging, geen morele reflectie, geen innerlijke afstemming. Het vraagt snelheid, prikkel en deelbaarheid. leed wordt met een paar klikken gemakkelijk “content”. Het voldoet aan het mechanisme van een directe beloning waardoor het menselijkheid wegduwt naar de achtergrond.
Jongeren leven in een wereld waarin het vastleggen van een gebeurtenis soms sneller komt dan het innerlijk toelaten ervan. Kijken is niet hetzelfde als zien. Delen is niet hetzelfde als begrijpen. En aanwezig zijn bij menselijk leed vraagt iets wat je niet automatisch leert van een scherm: vertraging, draagkracht, begrenzing, nabijheid.
Vanuit trauma-sensitief perspectief is het daarom te makkelijk om alleen naar deze jongeren te wijzen. Zij laten ook iets van ons allen zien. Van een cultuur die veel registreert en weinig verwerkt. Van volwassenen die zelf vaak onvoldoende taal hebben voor ontregeling, verlies, shock en morele verwarring. Van scholen en opvoeders die wel waarschuwen voor online gedrag, maar veel minder vaak met jongeren oefenen in wat je doet als het leven rauw en echt voor je staat.
Want helpen is ook iets wat je moet leren. Vooral relationeel. Wat doe je als iemand in nood is? Hoe herken je shock bij jezelf? Hoe blijf je mens onder groepsdruk? Hoe verdraag je dat je iets ziet wat je nooit had willen zien, zonder je toevlucht te nemen tot afstand, opwinding of online distributie? Dat zijn wezenlijke opvoedvragen geworden.
De meeste jongeren die wij in ons werk zien zijn niet zozeer ongevoelig. Wel onvoldoende gevormd in morele regulatie onder stress. Dat is iets anders. En het vraagt dus ook een ander antwoord. Meer straf en meer afkeuring alleen gaan dit probleem niet oplossen. Begrenzing is nodig, absoluut. Beelden verwijderen is nodig. Ouders moeten ingrijpen. Scholen moeten helder zijn. Alleen is er daarnaast iets fundamentelers nodig: onderwijs in menselijkheid onder spanning.
Dat begint bij taal. Bij volwassenen die niet alleen zeggen: “Dit doe je niet”, maar ook uitleggen wat er in mensen kan gebeuren onder schok en waarom dat nooit een vrijbrief is om grenzen te overschrijden. Het vraagt gesprekken over empathie die verder gaan dan braafheid. Over groepsdruk die niet alleen gaat over roken, alcohol of pesten, maar ook over filmen, delen, meemaken en jezelf verliezen in de blik van de ander. Over de vraag wat waardigheid is wanneer iemand op het kwetsbaarst is.
En misschien moeten we nog iets eerlijker zijn. Ook volwassenen consumeren leed. In nieuws, in realityformats, in incidenten, in roddel, in commentaren onder berichten van rampen en ongelukken. Jongeren leren dubbel: van wat we zeggen en van wat we voordoen. Een samenleving die zelf voortdurend op de rand van sensatie balanceert, moet oppassen met morele superioriteit zodra jongeren hetzelfde patroon laten zien in een rauwere vorm.
Trauma-sensitief kijken betekent niet dat alles begrijpelijk wordt en daarmee acceptabel. Het betekent dat je verder kijkt dan afkeer. Dat je probeert te zien welke mechanismen, welke ontregeling, welke groepsprocessen en welke cultuur hier samenkomen. Pas dan kun je iets veranderen.
Wat deze gebeurtenis nodig heeft, is respect, bescherming van de nabestaanden en volwassen moed om het moeilijke gesprek te voeren. Met jongeren, met ouders, met scholen, met onszelf. Over empathie. Over schaamte. Over stress. Over de manier waarop technologie tussen mensen is gaan staan. Laten we het gesprek voeren over de vraag hoe we jongeren helpen om in een ontwrichtend moment niet alleen toeschouwer te worden, maar echt mens te blijven. Misschien moeten wij als jong en oud wel samen gaan oefenen.


