Onlangs zag ik een poster voorbijkomen over kinderen met autisme en Theory of Mind. De intentie erachter zal ongetwijfeld positief zijn geweest. Iemand probeert uit te leggen waarom sociale situaties voor kinderen met autisme soms ingewikkeld kunnen zijn. Toch vind ik het een ongemakkelijke poster, omdat goede intenties niet automatisch goede kennis opleveren.
De poster gaat over de “minder sterke kanten van Theory of Mind bij kinderen met autisme”. Kinderen hebben moeite met begrijpen dat anderen anders denken, voelen en weten. Ze hebben moeite met perspectief nemen, emoties begrijpen, impliciete boodschappen herkennen en gedrag van anderen voorspellen. Op het eerste gezicht klinkt dat overzichtelijk. Alleen zit daar precies het probleem. Door autisme op deze manier uit te leggen, leg je het zwaartepunt ongemerkt bij het kind.
Natuurlijk kunnen sommige kinderen met autisme moeite hebben deze zaken. Dat hoeven we niet weg te poetsen uit angst om stigmatiserend te zijn. Autisme kan voor het kind zelf en voor de omgeving ingewikkeld zijn. Er kunnen echte problemen ontstaan in communicatie, flexibiliteit, prikkelverwerking, emotieregulatie en sociale afstemming. Alleen moeten we veel preciezer worden in de vraag waardoor die problemen ontstaan. Een kind dat een hint niet oppakt, faalt niet automatisch in sociaal begrip. Misschien was de hint onduidelijk. Een kind dat sarcasme letterlijk neemt, heeft niet automatisch een gebrek aan humor of empathie. Misschien was de communicatie dubbelzinnig op een moment dat het kind al veel te hard moest werken om de situatie te volgen. Een kind dat de boosheid van een ander niet meteen leest, is niet per definitie ongevoelig. Misschien was het kind bezig met geluiden, licht, gezichten, verwachtingen, eerdere correcties en de voortdurende opdracht om vooral normaal te reageren.
De klassieke Theory-of-Mind-uitleg over autisme is niet volledig onbruikbaar, maar wel te beperkt wanneer zij autisme framet als een tekort in het begrijpen van anderen. Sociale afstemming hangt niet alleen af van wat het kind kan begrijpen, maar ook van hoe duidelijk, veilig, voorspelbaar en wederkerig de omgeving communiceert. We vragen kinderen met autisme voortdurend om onze wereld te lezen, terwijl wij hun wereld vaak nauwelijks bestuderen. Wij verwachten dat zij onze gezichtsuitdrukkingen, grapjes, sociale stiltes, halve opmerkingen, zuchten en blikken begrijpen, maar onderzoeken veel minder vaak of onze communicatie eigenlijk wel helder, veilig en voorspelbaar genoeg is. Was de taal van de volwassene duidelijk? Was de opdracht concreet? Was er tijd om te verwerken? Was het kind al gespannen door wat eraan voorafging? Was er sprake van schaamte, faalervaring, onveiligheid of controleverlies? Zonder die vragen maak je van een relationeel probleem een kindprobleem.
Misverstanden tussen autistische en niet-autistische mensen ontstaan niet alleen doordat de autistische persoon de ander onvoldoende begrijpt. Ze ontstaan vaak doordat twee verschillende manieren van waarnemen, betekenis geven en communiceren elkaar niet vanzelfsprekend vinden. De vraag is dus niet alleen hoe het kind de ander beter kan leren begrijpen, maar vooral ook hoe de omgeving het kind beter kan leren begrijpen. Die verschuiving lijkt klein, maar in de praktijk is ze enorm. Je gaat anders kijken, anders luisteren en anders formuleren. Je stopt met doen alsof de volwassene de neutrale maat der dingen is.
“Mardi had geleerd dat één verklaring zelden genoeg was. Wie te snel wist wat een ander dacht, had meestal vooral zichzelf gehoord.” (Uit het boek De Derde Hypothese, Marjon Kuipers 2025)
Ook het bekende zinnetje dat kinderen met autisme “moeite hebben met gevoelens begrijpen” vraagt veel meer nuance. Het risico is dat het snel gelezen wordt als een gebrek aan empathie. Dat beeld is hardnekkig en schadelijk. Veel kinderen met autisme voelen juist veel, soms overweldigend veel. Alleen komt dat gevoel niet altijd naar buiten in de vorm die volwassenen verwachten. Het kind kijkt weg, reageert praktisch, verstijft, wordt boos, gaat lachen op een ongemakkelijk moment of trekt zich terug. Dan kan de omgeving concluderen dat het kind niet geraakt is, terwijl het vanbinnen juist overspoeld wordt. Als wij empathie alleen herkennen wanneer die eruitziet zoals wij gewend zijn, missen wij de empathie van het kind en noemen we onze eigen beperkte interpretatie vervolgens een kenmerk van autisme.
Goed in contact zijn is geen los sociaal trucje. Het vraagt om werkgeheugen, taalbegrip, inhibitie, flexibiliteit, emotionele regulatie en voldoende veiligheid. Onder spanning worden die functies bij ieder mens minder beschikbaar. Dat zien we bij kinderen, ouders en professionals. Zodra de stress stijgt, vernauwt het perspectief. Mensen gaan invullen, verdedigen, controleren, vermijden of aanvallen. Bij kinderen met autisme noemen we die vernauwing al snel een autistisch kenmerk, terwijl we bij volwassenen meestal spreken over druk, overbelasting of een ingewikkelde situatie. Dat verschil in taal is veelzeggend.
Een kind met autisme dat onder spanning vastloopt, heeft dus niet automatisch meer uitleg nodig over wat de ander voelt. Het heeft vaak eerst behoefte aan minder spanning, minder prikkels, meer voorspelbaarheid, heldere taal, een volwassene die vertraagt en een omgeving die niet voortdurend vraagt om sociaal giswerk. Pas wanneer iemand zich voldoende veilig voelt, ontstaat er ruimte om te denken over de ander.
Eerst regulatie, dan reflectie. Eerst co-regulatie, dan correctie. Eerst begrijpen wat het gedrag probeert te vertellen, dan pas iets vragen van het kind.
Ik zou zo’n poster niet beginnen met “minder sterke kanten”. Zelfs als het vriendelijk bedoeld is, blijft het tekorttaal. Het kind wordt beschreven via wat het niet goed kan: minder goed gedachten lezen, minder goed gevoelens begrijpen, minder goed perspectief nemen, minder goed impliciete boodschappen verwerken. Ik zou de poster laten beginnen met een zin die het mensbeeld meteen rechtzet: “Een kind met autisme wil graag begrepen worden.”
Vanuit dat vertrekpunt zie je geen kind met een sociaal defect, maar een kind dat probeert betekenis te geven aan een wereld die vaak snel, vaag, impliciet en prikkelrijk is. Contact kan tussen mensen vastlopen, en juist daarom is wederzijdse verantwoordelijkheid nodig. Het kind mag leren dat anderen ook gedachten, gevoelens en grenzen hebben. De omgeving mag leren dat duidelijkheid, voorspelbaarheid en nieuwsgierigheid geen extraatjes zijn, maar voorwaarden voor ontwikkeling.
Wat ik dus mis in de betreffende Theory of Mind-poster is nuance. Het geeft ouders en professionals een makkelijke verklaring, maar niet per se de beste. En makkelijke verklaringen zijn aantrekkelijk, vooral in complexe situaties. Ze geven rust. Ze maken gedrag overzichtelijk. Alleen betalen kinderen vaak de prijs wanneer die rust ontstaat door versimpeling.
Ik waardeer de positieve intentie achter dit soort posters. Alleen is positieve intentie niet genoeg wanneer het onderliggende kader achterloopt. Juist omdat veel ouders en professionals dit soort posters gebruiken om kinderen te begrijpen, moeten we zorgen dat de kennis klopt.
Betere informatie begint bij de bereidheid om onze eigen aannames onder de loep te nemen. Want zolang wij goedbedoeld oude kennis blijven herhalen, blijven kinderen de rekening betalen voor onze beperkte blik.


