Een scherpe blik, een goedbedoelde tip, een grap die luchtig bedoeld was. Voor de één is het niets, voor de ander voelt het alsof er een oude wond opnieuw wordt opengereten. De omgeving ziet tranen, woede of iemand die zich terugtrekt en vraagt zich af wat er misging. “Het was toch maar een kleinigheid of het is goed bedoeld”
Maar dat is het niet.
Het brein is razendsnel in het maken van verhalen. Een zucht of een opmerking krijgt in een fractie van een seconde betekenis. Voor degene die geraakt wordt, klinkt het vaak als: “Ik doe het verkeerd. Ik ben niet goed genoeg. Ze wijzen mij af.” Het hoofd is sneller dan de werkelijkheid, en het lichaam gelooft het onmiddellijk. Hartslag omhoog, adem die stokt, spieren die zich aanspannen, emoties die de regie overnemen. Van buiten lijkt het overtrokken, maar van binnen is het een alarm dat bloedserieus voelt.
Dit is geen aanstellerij. Het is een traumarespons. Vaak niet ontstaan door een groot naar voorval, maar door de stapeling van microtrauma’s: de kleine afwijzingen, de herhaalde correcties, de subtiele boodschappen in de kindertijd die keer op keer bevestigden dat je niet helemaal mocht zijn zoals je was. Op zichzelf lijken die momenten onschuldig, maar samen vormen ze een patroon dat zich vastzet in het zenuwstelsel. Het kind leert: “Zoals ik ben, is niet genoeg.” En dat kind groeit uit tot een volwassene die in elke stilte, elke blik en elke goedbedoelde tip onbewust opnieuw dat oude script herkent.
Veel mensen vinden herkenning in de term die hiervoor gebruikt wordt: Rejection Sensitive Dysphoria, kortweg RSD. Het is geen officiële diagnose, maar een manier om woorden te geven aan die extreme gevoeligheid voor afwijzing, echt of ingebeeld. Het kan helpen om te weten dat je niet de enige bent, dat anderen dit ook kennen. Want het gevoel dat je hart overslaat bij de minste of geringste kritiek, of dat je jezelf dagenlang kwelt om een opmerking die een ander allang vergeten is en helemaal niet verkeerd bedoeld heeft, kan je het idee geven dat je je afgewezen voelt. Je reageert vanuit een zenuwstelsel dat al te vaak heeft geleerd te scannen op afwijzing, er heel erg goed in is geworden en dat je nu steeds weer probeert te beschermen.
Een compliment dat eindigt met een kleine aanvulling kan daardoor voelen als een afwijzing. Een advies bedoeld als steun kan klinken als bewijs van falen. Zelfs een liefdevolle vraag, “Zal ik je helpen?”, kan landen als een onderstreping van onvermogen. Het gaat niet om de woorden op dat moment, maar om de echo van vroeger die in dat moment meetrilt.
Wat vaak extra pijnlijk is, is de reactie van de omgeving. Te vaak wordt zo’n uitbarsting of stilvallen weggezet als overgevoeligheid. Te vaak wordt er gezegd: “Stel je niet zo aan” of “Je trekt alles naar jezelf toe.” Daarmee komt er nog een laagje afwijzing bovenop. Wie goed kijkt, ziet dat het niet gaat om de inhoud van de woorden, maar om de geschiedenis die meereist. Het is de echo van microtrauma, van die talloze kleine momenten waarop iemand niet gezien of niet bevestigd werd.
Wat helpt, is niet nóg een correctie, niet nóg een relativering, maar aanwezigheid. Het simpele erkennen van de pijn, het blijven staan in plaats van wegwuiven. Het vermogen om te zeggen: “Ik zie dat dit je raakt. Het was niet bedoeld als afwijzing.” Daarmee stopt de film soms, al is het maar voor even. Het geeft ruimte om te ontdekken dat het verhaal van het hoofd niet altijd klopt met de werkelijkheid van nu.
We mogen best meer aandacht hebben voor dit mechanisme want zo bekend is het niet. Zolang we dit gedrag afdoen als overdreven of als iets waar iemand zelf maar mee moet leren omgaan, herhalen we precies de patronen die de pijn hebben veroorzaakt.
Op 17 september starten we weer met onze TraumaTraining. We hebben nog 1 vrije plek.


