Onlangs verscheen een uitspraak in een jeugdstrafzaak waarin het bezwaar van een minderjarige tegen DNA-afname op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden centraal stond. In deze zaak werd de proportionaliteit van de maatregel besproken in relatie tot de persoonlijke omstandigheden van de jeugdige.
De minderjarige gaf tijdens de behandeling in raadkamer aan dat hij autisme heeft en dat de afname en opslag van zijn DNA-profiel hem langdurige stress bezorgt:
“Nu zijn DNA-materiaal is afgenomen voor het bepalen en het verwerken van zijn DNA-profiel in een DNA-databank blijft dit continu in zijn hoofd spelen. Hij kan hier geen afstand van nemen en hij kan dit ook niet relativeren. Dit levert veel stress op voor hem. Hij krijgt ook hulp bij de begeleiding van de stress. Veroordeelde verzoekt dan ook om het bezwaar gegrond te verklaren.”
De raadsman heeft daarbij aangevoerd dat het redelijkerwijs aannemelijk is dat het verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal zijn voor toekomstige opsporing of vervolging. Hij wees erop dat het gaat om een minderjarige met autisme, waarbij die omstandigheden op alle leefgebieden invloed hebben. Ook verwees de raadsman naar een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2024:22770) waarin wordt bevestigd dat het Openbaar Ministerie geen bevel tot DNA-afname uitvaardigt wanneer een minderjarige is veroordeeld tot niet meer dan veertig uur taak- of leerstraf.
De officier van justitie gaf in raadkamer aan dat er sprake is van een uitzondering op grond van de Wet. Daarbij werd meegewogen dat de minderjarige is veroordeeld tot een taakstraf van minder dan veertig uur en dat het OM in soortgelijke zaken doorgaans afziet van DNA-afname. Ook werd benoemd dat bij veroordeelde sprake is van autisme en dat de maatregel grote impact heeft op hem.
De rechtbank Midden-Nederland stelde vast dat veroordeelde onder de reikwijdte van de Wet valt, maar dat in deze specifieke zaak sprake is van een uitzonderingssituatie zoals omschreven in artikel 2, eerste lid onder b, van de Wet. Daarbij werd overwogen dat de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, in combinatie met de psychische gesteldheid van veroordeelde en de beperkte ernst van de opgelegde sanctie, aanleiding geven om het bezwaar gegrond te verklaren.
De raadkamer concludeerde dat het bepalen, opnemen en verwerken van het DNA van veroordeelde disproportioneel is. Het bezwaar werd daarom gegrond verklaard en de officier van justitie werd opgedragen het afgenomen celmateriaal te vernietigen.
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:2155


