De woorden van Donald Trump bij de herdenkingsdienst van Charlie Kirk en zijn aankondiging dat er een “antwoord op autisme” gevonden zou zijn hebben wereldwijd aandacht getrokken. Hij verwees naar een persmoment waarin hij zou ingaan op de rol van paracetamol tijdens zwangerschap, lage folaatspiegels en het gebruik van folinic acid als mogelijke interventie. We hoorden massaal de belofte van een oplossing, alsof autisme een medisch probleem is dat we zouden moeten uitroeien. Voor mij, en voor zoveel anderen die met autisme werken en leven, voelt dat niet alleen misleidend maar ook schrijnend.
De Nederlandse Vereniging voor Autisme (NVA) reageerde snel en terecht. Autisme is geen ziekte die genezen moet worden, het is een manier van zijn die niet meer weg te denken is in onze maatschappij. Caroline Verkerk, directeur van de NVA, zei het scherp: wie zoekt naar een cure miskent de waarde van mensen met autisme. De woorden met de achterliggende gedachte van Trump zijn pijnlijk. Het bevat de boodschap dat het leven met autisme niet volwaardig is.
Wie naar kinderen kijkt, ziet hoe pijnlijk het is wanneer de norm zo bepalend wordt dat camoufleren en wegstoppen de enige overlevingsstrategie lijkt. Dat levert spanning, stress en onzekerheid op. Kinderen hebben ruimte nodig om zichzelf te zijn en tegelijkertijd passende ondersteuning te krijgen. Daar ligt de opdracht voor onze samenleving: niet het wegwerken van autisme, maar het scheppen van een omgeving waarin talenten tot bloei komen en verschillen betekenisvol zijn. En dit geldt niet minder voor volwassenen met autisme.
De wetenschap waar Trump zich op beroept, wankelt aan alle kanten. Volgens Bijwerkingencentrum Lareb zijn er wel onderzoeken gedaan naar paracetamol tijdens de zwangerschap, maar spreken de uitkomsten elkaar tegen en laat de kwaliteit veel te wensen over. Het is een terrein vol haken en ogen, waarin voorzichtigheid geboden is. Juist daarom is het gevaarlijk wanneer er stevige conclusies worden getrokken.
Mijn zorg is dat zulke uitspraken, zoals van Trump, de verkeerde vraag oproept. In plaats van “hoe voorkomen we autisme?” zouden we moeten vragen: “hoe zorgen we dat kinderen en volwassenen met autisme hun plek vinden in een wereld die hen begrijpt?”
Het verschil tussen die vragen is wezenlijk. Het ene pad leidt naar uitsluiting, schuld en stigma, het andere naar inclusie, waardigheid en een samenleving die rijker wordt door diversiteit.
Autisme laat zich niet vangen in één simpele oorzaak. Het is geen fout die gerepareerd moet worden, maar een manier van bestaan die we nog lang niet volledig begrijpen en die om zorgvuldigheid, veiligheid en respect vraagt.
En deze vraag blijft dan hangen: is Trumps zoektocht werkelijk gedreven door zorg voor mensen met autisme, of vooral door de behoefte om met een eenvoudig antwoord de populariteitsprijs te winnen?


