Waarom het uitmaakt hoe je kijkt bij ‘passiviteit’
Soms lijkt het alsof iemand gewoon niks wil. Geen initiatief neemt. Of zich een beetje verstopt achter een slachtofferrol. Zeker als je werkt met mensen met autisme of trauma, herken je het misschien: gedrag dat oppervlakkig ‘passief’ oogt, maar bij nader inzien iets probeert te vertellen. Want gedrag is taal. De vraag is alleen: welk verhaal vertelt het? En hoe goed luisteren wij eigenlijk?
We onderscheiden twee soorten hulpeloosheid. De welbekende aangeleerde hulpeloosheid (learned helplessness) en de minder bekende veronderstelde hulpeloosheid (assumed helplessness). Deze twee soorten lijken op elkaar, maar vragen een totaal andere benadering. En wie dat verschil niet goed ziet, loopt het risico juist dat in stand te houden wat iemand hulpeloos en afhankelijk maakt.
Aangeleerde hulpeloosheid: als proberen zinloos lijkt
De Amerikaanse psycholoog Martin Seligman (bekend als grondlegger van de positieve psychologie) deed in de jaren ’60 een experiment waarbij honden herhaaldelijk electrische schokken toegediend zonder de mogelijkheid om eraan te ontsnappen. Later, toen die ontsnapping wel mogelijk was, bleven de honden gewoon liggen. Ze hadden geleerd: wat ik doe, maakt toch geen verschil en hadden het opgegeven.
Dat mechanisme zie je ook bij mensen. Kinderen die opgroeien in instabiele gezinnen. Jongeren die voortdurend te horen krijgen dat hun wensen onrealistisch zijn. Volwassenen die in zorgsystemen telkens opnieuw de regie kwijtraken. Op een bepaald moment ontstaat er iets wat soms nauwelijks zichtbaar is, maar alles doordrenkt: een diepe, vaak onbewuste overgave. De overtuiging dat niets wat je doet ertoe doet. Dat proberen zinloos is.
In de praktijk herken je dit aan gelatenheid, aan mensen die afhaken, depressief worden, apathisch zelfs. Niet omdat ze niet willen, maar omdat ze zijn gaan geloven dat er toch geen uitweg is. Zelfs als die uitweg er wel is.
Veronderstelde hulpeloosheid: als je nooit gevraagd bent
Veronderstelde hulpeloosheid ontstaat niet omdat iemand iets probeerde en faalde, maar omdat diegene nooit de kans kreeg om te ontdekken wat hij of zij kon. Het is geen overtuiging van binnenuit, maar een verhaal dat door de omgeving is geschreven – en dat iemand is gaan geloven. Niet omdat het waar is, maar omdat er niets anders werd aangeboden. Een soort omgekeerde Pipi Langkous dus. (Ik heb het nog nooit gedaan dus ik denk dat ik het kan…)
Je ziet veronderstelde hulpeloosheid bij een kind dat telkens geholpen wordt voordat het iets zelf probeert. Bij iemand die leeft binnen een strak dagprogramma waarin nauwelijks ruimte is voor initiatief of ontdekkingen. Bij cliënten die jarenlang afhankelijk zijn gehouden in een zorgstructuur waar autonomie wel wordt uitgesproken, maar niet echt wordt gefaciliteerd. Kinderen van dominante ouders die eisen of van angstige ouders die willen beschermen. Of bij mensen die – vanuit culturele of relationele context – zichzelf nauwelijks toestaan om verantwoordelijkheid te nemen.
Wanneer we veronderstelde hulpeloosheid behandelen alsof het aangeleerd is, gaan we ‘repareren’ wat misschien helemaal niet stuk is. We starten trajecten met succeservaringen en activeringsplannen, terwijl de onderliggende vraag eigenlijk is: mag ik geloven dat ik invloed heb? Mag ik zelf bepalen waar het over gaat?
Bij aangeleerde hulpeloosheid moet de persoon opnieuw leren dat actie wel zin heeft.
Bij veronderstelde hulpeloosheid gaat het niet om leren, maar over ruimte en autonomie kunnen nemen. Deze laatste gaat over het verhaal wat je jezelf vertelt.
De eerste vorm vraagt oefening in doen.
De tweede vorm vraagt vertrouwen in mogen.
Juist in situaties waar trauma of autisme een rol speelt, worden deze twee vormen vaak verwisseld. Bij mensen met autisme die al jarenlang meedraaien in het zorgcircuit, zie ik hoe snel ‘passief gedrag’ geroepen wordt. En dan ontstaat het bekende automatisme: “We moeten activeren!” Maar zelden stelt iemand zich de vragen die er werkelijk toe doen.
Want….
Wie heeft eigenlijk ooit besloten dat deze persoon iets niet kon?
Welke rol heeft de omgeving zelf gespeeld in het aannemen van die hulpeloosheid? En wat als het gedrag dat we als passiviteit zien, juist een logische uitkomst is van steeds opnieuw afgebroken autonomie?
We zouden onszelf – en elkaar – vaker moeten bevragen. Is dit gedrag werkelijk een reactie op falen, of eerder een gevolg van verwachtingen die voortdurend voor iemand zijn ingevuld? Wat gebeurt er als ik dit gedrag niet wil fixen, maar probeer te begrijpen als overlevingsstrategie? En hoe help ik iemand om weer eigenaar te worden van zijn verhaal, zonder opnieuw het gevoel te bevestigen dat hij afhankelijk is?
En dan is er nog een thema: de rollen die we onbewust met elkaar blijven herhalen. Wie is hier steeds de helper? En wie wordt telkens de afhankelijke? Welke patronen houden we zelf in stand, en met welk effect?
Als we niet helder onderscheid maken tussen wat iemand ooit is afgeleerd, en wat iemand nooit heeft mogen ontdekken, dan missen we kansen op echte groei. Dan blijven we – hoe goedbedoeld ook – precies datgene bevestigen wat we eigenlijk proberen te doorbreken.
Dus misschien is het tijd om te stoppen met aannemen dat iemand iets niet kan en te beginnen met de vraag of diegene ooit echt de kans heeft gekregen om te zeggen; Ik heb het nog nooit gedaan dus ik denk dat ik het kan….


