Gisteren was ik met een dierbare vriendin even in de stad voor een hapje en een drankje. Ik vertelde haar over de onmacht die ik vaak voel in de logge wereld van de zorg voor hele kwetsbare jongeren. Zorg die hard nodig is, zorg met betrokken mensen, maar ook zorg die op de laag waar ik werk zichtbaar vastloopt. Waar men met de handen in het haar zit. Waar in overleggen en op papier veel wordt beloofd. Waar dingen gebeuren die mij diep raken, irriteren, bezighouden. Dingen die ik niet zomaar naast me neer kan leggen.
Ze vroeg me waarom ik het dan blijf doen. Me betrokken voelen bij zoveel jongeren en ouders. Ik snap die vraag. Ik heb genoeg andere invullingen. Mijn leven is vol, inhoudelijk rijk en zeker niet alleen maar zorggericht.
En toch blijf ik dit doen, het duiden van wat anderen ingewikkeld gedrag noemen. Ik zie mijzelf echt niet als redder of veranderaar van een systeem. Ik kan het simpelweg laten om weg te kijken waar anderen afhaken. Misschien omdat ik slecht tegen onrecht kan. Ik kan vooral slecht tegen zeker weten en laat ik het systeemdomheid noemen. Ik kan slecht het gemak waarmee gedrag wordt losgekoppeld van context. Tegen hoe snel invullingen feiten worden. Tegen hoe vaak kinderen en jongeren vast komen te zitten in verklaringen die vooral het systeem helpen, en niet henzelf.
Ik ga goed op daar waar het ingewikkeld wordt. Waar gedrag voor een buitenstaander onbegrijpelijk lijkt, zie ik samenhang. Logica. Ik zie echt geen prettig gedrag of dat ik alle gedrag maar goed praat. Ik zie wel begrijpelijk gedrag. Ik zie een kind of jongere die iets heeft geleerd. Over het ontbreken van nabijheid en veiligheid. Over gevaar. Over wat loont en wat niet. Gedrag komt zelden uit de lucht vallen. Het volgt patronen, ervaringen, herhalingen. Als je dat ziet, wordt gedrag geen probleem dat opgelost moet worden, maar geeft gedrag een schat aan informatie. Ontzettend belangrijke ongefilterde informatie.
Wat mij blijft bezighouden, is hoe vaak veiligheid wordt gereduceerd tot iets regelbaars. Plannen, afspraken, formats, veiligheidscontracten. Terwijl ik ondertussen lichamen zie die iets heel anders vertellen. Een zenuwstelsel laat zich niet overtuigen door papier. Het reageert op nabijheid, timing, stemgebruik, voorspelbaarheid. Op wat iemand doet, niet op wat er is afgesproken.
Ik zie ouders die tegenover me zitten, slim, goed voorbereid, dossiers op orde. Plots verandert de weging. Hun kennis wordt spannend. Hun betrokkenheid een risico. Alsof expertise verdacht maakt. Dat mechanisme blijft me verbazen en irriteren. In andere contexten worden deze mensen gevraagd als expert. Hier worden ze gereduceerd tot ouder-met-een-kanttekening.
Ik zie zestienjarigen die hun week moeten plannen, doelen moeten formuleren, reflecteren op hun gedrag. Alsof de bedenkers zelf wel weten wat ze overmorgen willen eten en hoe ze zich voelen. En dan verwachten we dit van jongeren die permanent overprikkeld zijn. Bij wie het hoofd nooit stil is en vaak het leven niet meer zinvol voelt. Hoe ruim je je kamer op als je lichaam voortdurend in alarm staat? Hoe maak je keuzes als je zenuwstelsel alleen bezig is met overleven? Waarom doen we kinderen en jongeren in de zorg iets aan wat we geen enkele volwassene aan zullen doen?
Ik zie ook thuiszitters. Kinderen en jongeren die nergens meer passen, zich overbodig voelen en nergensmeer bijhoren. Met ouders die alles tegelijk proberen te dragen en ondertussen langzaam uitgeput raken.
Ik zie suïcidepogingen bij jongeren en daarna veiligheidsplannen. Zorgvuldig opgesteld, met goede bedoelingen. En ik zie hoe die plannen vooral geruststelling bieden aan volwassenen. Terwijl het lichaam van het kind iets heel anders nodig heeft. Dat lichaam vraagt geen afspraken, maar aanwezigheid. Geen contracten, maar betrouwbaarheid. Geen gesprekken achteraf, maar iemand die blijft en staat zodat het niet misgaat.
Ik zie getraumatiseerde jongeren samenleven. Jongens en meisjes, dicht op elkaar, met geschiedenissen van misbruik, verlies en verplaatsingen. Grenzen worden verwacht terwijl ze nooit zijn geleerd. Agressie ontstaat vaak niet uit kwaad, maar uit overbelasting. Uit ingehouden woede en verdriet om wat is kwijtgeraakt, door trauma, door verlies en het komen en gaan van mensen. Iedereen wil iets van je. Een leven dat bestaat uit moeten met “zeurende” volwassenden die het beste met je voorhebben. En ja, dat is mega ingewikkeld. Voor iedereen, maar vooral voor de jongeren. En ja, dat vraagt veel van de omgeving. Maar het vraagt vooral dat we begrip hebben, lang voor het inzetten van beheersing.
Ik zie dossiers waarin invullingen langzaam feiten worden. Beschuldigingen die nooit echt onderzocht zijn, maar wel blijven kleven.
Ik zie jongeren met genderdiversiteit die formeel begeleid worden, maar op de onderlaag niet werkelijk erkend in wie ze zijn. Nooit expliciet, wel subtiel. In overtuigingen. In eeuwen oude morele kaders die doorsijpelen in bejegening.
Ik zie hulpverleners komen en gaan. En opvallend vaak vertrekken juist de mensen die spanning kunnen dragen. Die durven twijfelen. Die niet meteen naar beheersing grijpen. Ze passen niet goed in het systeem. Hulpverleners die vertrekken met pijn in hun hart. Dat raakt me. Tegelijkertijd zie ik ook nieuwe mensen opstaan. Mensen die leren, die zich laten raken zonder zichzelf kwijt te raken. Dat geeft hoop want er gaat veel goed. Alleen laten we onze ogen beslist niet sluiten voor wat er nog steeds niet goed gaat en wat wat mij betreft soms de hel van de zorg is.
En ja, ik ben moe van het zorgsysteem. Maar ik krijg veel energie van het denken. Van het analyseren. Van het blootleggen van wat anders verkeerd geïnterpreteerd wordt. Ik hou niet van een blad voor mijn mond. Ik houd van duidelijkheid. En ik vind dat verantwoordelijkheid moet liggen waar die thuishoort. Niet verschuilen achter “zo doen we dat hier altijd, dit zijn de regels of de jurist zegt dat…”. Zeker niet in maatwerkvoorzieningen waar veel geld mee gemoeid is. Dan mag je kwaliteit verwachten. Moreel, inhoudelijk en vooral menselijk.


